Toonaliteiten
Vier keer per jaar komt het ledenblad Toonaliteiten uit.
Delen uit een recent nummer treft u hieronder aan:
- Drieluik over Edgar Tinel en het Tinelproject door Jan Hagemans
- Hilde Ram, dichteres van Godelieve, 1858-1901 door Ineke van Leest
Drieluik over Edgar Tinel en het Tinelproject
door Jan Hagemans, Princenhage's Mannenkoor
DEEL 1
Met het uitbrengen van een toost door onze dirigent- en initiatiefnemer Paul van Gulick en afgevaardigden van het Residentiekoor, Kamerkoor BonTon, Jeroen Boschkoor, Toonkunstkoor Breda en het Princenhage's Mannenkoor, alsmede leden van het bestuur Tinel-museum werd op zaterdag, 17 maart 2007 in het geboortehuis van de componist Edgar Tinel in Sinaai-Waas (België) het startsein gegeven voor een concertreeks in de jaren 2008 tot en met 2012.

|
Hebt gij Tinel Edgar Tinel gezien gezien, gehoord, gesproken ? en heeft hij U dat overstoflijk brood van zang en spel gebroken op zijn clavier ? bij felle meesterstreken schier levend doen zijn woord, zijn hert, zijn' ziel en zijn gedacht uitspreken ? Hebt gij Tinel Edgar Tinel gezien gezien en hem verstanden en zijt gij niet meer mensch weêr opgestaan, van onder zijne handen ? vereert ze dan, vereert de kunst in hem, de Godlijke, en buigt neder voor God, dien al dat kunst of kunstenaar is terugbeeldt en geeft weder |
Gezelle en Tinel waren trouwens hele goede vrienden. Niet alleen was de koppigheid van beide kunstenaars een bindmiddel, maar ook hun diepreligieuze instelling en hun voorkeur voor een goed glas. Uit hun samenwerking zijn de "Zes geestelijke gezangen"(opus 33), Zes Marialiederen (opus 34) en Vier Adventsliederen (opus 35) ontstaan.
In 1881, tevens het jaar dat zijn moeder overlijdt, wordt Tinel benoemd tot directeur van het Lemmensinstituut in Mechelen, een functie die hij blijft uitoefenen tot in 1909. Dat is een van de voornaamste redenen (samen met zijn diepe religiositeit) die hem ertoe gebracht hebben om voortaan vooral religieuze muziek te componeren. We vermelden dan zijn "Sonate voor Orgel"(opus 29), "Drie motetten voor O.L.Vrouw" (opus 31), "Mis voor O.L. Vrouw van Lourdes" (Opus 41), drie Psalmen (opus 27, 39 en 47) en twee Te Deums (opus 26 en 46).
"Le Cle Psalm" opus 47, bij ons beter bekend als "Psalm 150" zal het Princenhage's Mannenkoor op zondag 7 oktober a.s. in de Sacramentskerk van Breda voor het eerst uitvoeren.
In zijn religieusmuzikale bewogenheid sluit Tinel aan bij het "Caecilianismus", een katholieke hervormingsbeweging die de kerkelijke muziek wou vernieuwen. In al mijn muzikaal kunnen blijft hij in hart en nieren nog Sinaainaar. Hij zelf schreef: "Mooier dan alle muziek, mooier dan de negende Symfonie van Beethoven zijn de klokken van Sinaai."
Wellicht is Tinel het meest bekend omwille van zijn oratoria "Franciscus" (1888, opus 36), "Godelieve" (1897, opus 43) en "Katharina" (1908, opus 44), de drie grote werken die het Princenhage's Mannenkoor samen met de andere drie gemengde koren en deelnemers aan dit Tinel-project in de komende jaren gaan uitvoeren. Tinel schatte "Katharina" zelf als het hoogste in. Katharina lag hem als personage het nauwst aan het hart. Hij verklaarde daarover op een viering in Sinaai: "Katharina is om te beginnen de patroonheilige van de kerk van Sinaai en Katharine is ook de naam van mijn moeder."
Meest bekend is zijn Franciscus. Tijdens zijn leven werd het meer dan 1000 keren uitgevoerd, in bijna geheel Europa én in de Verenigde Staten van Amerika. Het behoorde tot het vaste repertorium van de meeste grote West-Europese ensembles.
Een dikwijls onderschat deel van zijn creatief werk zijn de 15 bundels liederen voor solist en piano, op tekst van zowel Vlaamse als Duitse en Franse schrijvers. Hier herkennen we duidelijk die Latijnse en Germaanse elementen waarmee Tinel zijn eigen kunnen heeft uitgebouwd. Hier ook valt op hoe Tinel zijn plaats inneemt in de internationale muzikale tendensen van zijn tijd.
Tinel bleef graag naar Sinaai komen. In Sinaai vond hij de rust en de kalmte die hij in de drukke grootstad zo miste. Dan verbleef hij gewoonlijk bij zijn zus Marie, die een bloemisterij had dicht bij het station "Mille Pommes". Als beroemd componist, met die typische artiestenkop met daarop die hoge hoed, was hij een opvallend figuur. Zeker als hij over de Dries naar de mis wandelde. Hij speelde dan zo vol overtuiging orgel, dat de blaasbalgtrapper zich misrekende. Tinel was nog niet klaar met de Gloria en was kwaad zoals Tinel kwaad kon zijn. Waarop de beduusde man antwoordde: "Maar mijnheer, ik weet toch hoeveel wind er in de Gloria gaat!"
De officiële erkenning van zijn kunnen was ondertussen niet achterwege gebleven. In 1889 was hij benoemd tot inspecteur van de Muziekscholen in Vlaanderen. Vanaf 1896 gaf hij les in het conservatorium in Brussel. In 1909 volgt hij op dit conservatorium, Gevaert op als directeur en dat was de hoogste erkenning die hem in België kon te beurt vallen.
En Sinaai zet Tinel in de bloemetjes. Op 20 mei 1909 wordt Tinel met klokkengelui, kanonschoten en geweersalvo's ingehaald. Elk huis is bevlagd, de bomen zijn versierd en meer dan 75 muziekgezelschappen en zangverenigingen komen in Sinaai samen. Hij wordt in dat jaar ook benoemd tot Doctor honoris causa van de Katholieke Universiteit te Leuven en in 1910 Kapelmeester van de Koning.
Maar bij al die huldigingen denkt hij steeds terug aan zijn geboortedorp, en Sinaai denkt aan hem. De gemeenteraad beslist de marmeren buste van Tinel, gebeeldhouwd door Arsene Matton, aan te kopen en te plaatsen in de raadszaal van het gemeentehuis. De buste staat nu, bruin gerookt door de sigaren van de vroede vaderen van het gemeentehuis, in het Tinelmuseum. In de toenemende, bijna wurgende drukte van zijn artiestenleven verlangt hij meer en meer naar Sinaai. Als hij maar kan, komt hij er uitblazen in het huis van zijn zus, bij het station.
Wegens tijdgebrek kan hij niet meer componeren en voelt zich ontworteld; "Da'k maar koster te Sinaai geworden was", zucht hij. In een brief van 1 oktober 1911 vraagt hij aan de Burgemeester toestemming om enkele dennen te mogen planten rond het stukje grond naast de kerk waar hij wou begraven worden. Tinel heeft inderdaad zijn dood voelen aankomen, want op 28 oktober 1912 overlijdt hij in Brussel. Drie dagen later wordt hij op 31 oktober 1912 in Sinaai begraven.
Jan Hagemans, Princenhage's Mannenkoor
Hilde Ram, dichteres van Godelieve, 1858-1901
door Ineke van Leest

Na het succes van "Fransiscus" dacht Tinel al snel aan een tweede groot muziekwerk. De kritiek had hem "een verkapt
opera-schrijver" genoemd, daarom wilde hij meer voor toneel schrijven.
Hij wendde zich voor de tekst tot Hilda Ram, een Antwerpse dichteres. Begonnen als onderwijzeres studeerde zij later moderne talen en Latijn. "Haar frisse idyllische poëzie was door haar eenvoud en gemoedelijkheid ook genietbaar voor de gewone volksmens." (1)
In 1889 kreeg zij voor "Gedichten" de vijfjaarlijkse Staatsprijs voor poëzie.
In 1888 ( 1896?) begon zij aan de opdracht het leven van "Sinte Godelieve" in dichtvorm te bewerken, als libretto voor een zangspel. Het jaar daarop was het al af. "...maar toen wachtte haar een wrevelige
ontgoocheling. Tinel was er niet mede tevreden. De dichteres had aan haar werk den vorm gegeven van oratorio, in den aard van Fransiscus en de komponist verlangde iets grootscher, een echt theaterstuk. Het
gedicht moest dus heelemaal herwerkt. De misnoegdheid der librettiste werd nog grooter, toen de eerste uitvoering van het muziekdrama te Brussel plaats had in 1897 met den vertaalden Franschen tekst.
Onmiddellijk deed zij haar oorspronkelijk Vlaamsche werk te Antwerpen drukken bij J. Boucherij, onder den titel : < Sinte Godelieve, muziekdrama in vier bedrijven en zes tafereelen >. Hetzelfde jaar
werd het werk met den oorspronkelijken tekst te Leuven prachtig uitgevoerd, terwijl de dichteres, helaas, den dood afwachtende, op het ziekbed lag uitgestrekt.
De kritiek waaide vinnig rond dit grootsche gewrocht van den genialen komponist: zelfs in katholieke bladen hekelde men streng de levenloosheid van het opstel, dat alleen door de rijkdommen der muziek werd
recht gehouden. Hierin heeft de bedilzucht veel overdreven, want zoo Hilda Ram zich beter te huis gevoelde in het fijn en omstandig beschrijven van een burgerfamilie, toch heeft zij in < Godelieve >
een trouwe schildering neergepend van de karakters en wist zij op eenvoudige wijze treffende toestanden te verwekken.
Dat < Godelieve > slechts uit- en niet opgevoerd is geworden, heeft meer geschaad aan de dichteres, dan aan den komponist, vermits gansch de handeling van het letterkundig drama verloren ging, zoodat
al de eer naar den komponist ging terwijl de dichteres het erg op de kneukels kreeg. Het nageslacht zal er wellicht, anders over oordeelen." (2)
1. http://users.telenet.be/louis.jacobs/Ram.html
2. Lodewijk Scheltjens: Beroemde Mannen uit het Waasland, Edgar Tinel, Antwerpen 1926
Ineke van Leest