Toonaliteiten

Vier keer per jaar komt het ledenblad Toonaliteiten uit.
Delen uit een recent nummer treft u hieronder aan:

- Drieluik over Edgar Tinel en het Tinelproject door Jan Hagemans

- Hilde Ram, dichteres van Godelieve, 1858-1901 door Ineke van Leest





Drieluik over Edgar Tinel en het Tinelproject
door Jan Hagemans, Princenhage's Mannenkoor

DEEL 1
Met het uitbrengen van een toost door onze dirigent- en initiatiefnemer Paul van Gulick en afgevaardigden van het Residentiekoor, Kamerkoor BonTon, Jeroen Boschkoor, Toonkunstkoor Breda en het Princenhage's Mannenkoor, alsmede leden van het bestuur Tinel-museum werd op zaterdag, 17 maart 2007 in het geboortehuis van de componist Edgar Tinel in Sinaai-Waas (België) het startsein gegeven voor een concertreeks in de jaren 2008 tot en met 2012.


Edgar Tinel, die op 27 maart 1854 in Sinaai-Waas werd geboren overleed op 28 oktober 1912 in Brussel. Na zijn studie aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel begon hij composities te schrijven en reeds in 1877 ontving hij de Belgische Prix de Rome voor zijn cantate Klokke Roeland. Hij werd directeur van het Instituut voor religieuze muziek van Mechelen, het latere Lemmensinstituut - waar het Princenhage's Mannenkoor nog in 1992 aan het Brabant Korenfestival deelnam - en professor-directeur aan het Conservatorium van Brussel.

Nadat onze dirigent Paul ven Gulick enige uitleg over het idee en ontstaan van dit Tinel-project had gegeven en waarbij ook Jo de Vos als mede-initiatiefnemer van het Belgische Tinel-comité enige verduidelijking gaf, werd de volgende planning gemaakt.

De gezamenlijke koren gaan in 2008 de opera Godelieve, op.43 uitvoeren, in 2010 de opera Katharina, op. 44 en in 2012 als we het overlijden na 100 jaar van de componist herdenken het oratorio St. Franciscus, op.36. Daar tussendoor zullen nog vele andere werken van de componist worden ingestudeerd en op verschillende plaatsen in Nederland en België worden uitgevoerd. Het is de bedoeling dat van al deze werken opnamen voor CD worden gemaakt.

Voor de gehele organisatie zal een bestuur worden samengesteld (uit bestuurlijke en juridische kringen) en een zestal commissies (door de deelnemende koren) om het gehele plan verder uit te werken. Zeer waarschijnlijk zal een professioneel orkest uit Oekraïne ons begeleiden.

In de volgende edities van Composities houden wij U over de ontwikkelingen van dit nieuwe concertproject en de achtergronden van deze Belgische componist Edgar Tinel op de hoogte.

DEEL 2
In deze tweede, maar ook in de derde editie, wil ik de biografie van de componist Edgar Tinel, de Belgen noemen het zijn levenslijn, nader toelichten. Het wordt te veel om alles in één keer te doen.

Toen Emanuel Huijskens en ik op zaterdag, 17 maart 2007 in het geboortehuis van Tinel waren, troffen wij in een van de vertrekken op de eerste verdieping, de volgende informatie die wij jullie niet willen onthouden.

Vanaf 1992 is de gehele bovenverdieping van het indrukkend huis als museum ingericht en iedere laatste zondag van de maand wordt het voor bezoekers opengesteld. Via de beheerder en voorzitter van het Tinelcomité Jef Blommaert is verdere informatie op te vragen. Telefoon 03.772.35.48

Edgar Tinel werd op 27 maart 1854 in Sinaai-Waas geboren. Het was het tweede kind van Pieter-Franciscus (onderwijzer en organist) en Katarina Wagemans. Als klein kind toonde hij al vlug grote belangstelling voor de muziek. Amper zeven jaar oud ging hij dan ook twee maal per week te voet van Sinaai naar Eksaarde om daar pianoles te krijgen van vaders vriend Ferdinand van Durme.

Hij had aanleg en daarom stuurde zijn vader hem twee jaar later met zijn broer Oscar naar het Conservatorium van Brussel. Daar kreeg hij van de portier te horen, dat er voor "boerkes" in "zijn" conservatorium geen plaats was. Vader Tinel laat het er niet bij zitten en dringt er bij de directeur Fétis erop aan hem aan te nemen. Edgar moet wel op een stapel boeken op de pianokruk gaan zitten om op de hoogte van het toetsenbord te komen en hij wordt daarna door Fétis met open armen ontvangen. Na enkele jaren kan de jonge musicus meer en meer voor zichzelf zorgen. Hij geeft privé-lessen en wordt lid van verschillen koren. Als gevierd pianovirtuoos treedt hij op in België en in het buitenland. In 1871 ontvangt hij een eerste prijs voor theoretische harmonie en twee jaar later de erepalm voor klavierspel. Zijn eerste gecatalogeerd werk toondicht hij in Sinaai op het eind van een mooie septemberdag in 1874. Het is een lied vol nostalgie "Qu'íls sont tristes ces jours d'automne".

In augustus 1875 schrijft hij zijn "Loverkens" (opus 14) en het is een liedcyclus van veertien oude Vlaamse liefdesliederen. Op een gedrukte partituur schrijft hij: "Deze krans van liederen werd getoondicht in de beste kamer van het woonhuis van de gemeenteschool in Sinaai, binst het octaaf van O.L.Vrouw Half Oest."

Nadat zijn vader in 1876 is overleden, trouwt hij in 1877 met Emma Coeckelbergh, een jonge dichteres uit Sint-Niklaas. Ondertussen is Edgar Tinel gelauwerd en had hij de Prijs van Rome gewonnen voor zijn compositie "Klokke Roeland". In dit werk, op tekst van Julius Sabbe verhaalt hij muzikaal een deel van de Guldensporenslag. De dan 23-jarige Tinel behaalt een internationaal hoog geschatte prijs.

Edgar Tinel treedt nu hoe langer hoe minder op als pianist, want het componeren eist meer en meer tijd. Hij put uit zijn echt Vlaams gevoel om op tekst van Jan Frans Willems, Pol de Mont, Rodenbach en Hugo Verriest liederen te toondichten. Zo schrijft hij zijn "drie ridders" opus 19 in 1878.

Hij wordt lid van het Davidsfonds, van de kunstkring "Met Tijd en Vlijt" en daarvan willen we heel uitdrukkelijk zijn opus 19, "de drie ridders" en opus 20, "Kollebloemen" uit 1879 vermelden. In dit laatste werk, dat op tekst van Pol de Mont is geschreven, kondigt hij op muzikale wijze het naderende onheil van de Eerste Wereldoorlog aan. Een suggestie voor de jaarlijkse Vredesconcerten in de Westhoek van België.

DEEL 3
Met deze derde editie wil ik de biografie, onze zuidenburen noemen het een levenslijn, van Edgar Tinel verder afmaken. In de vorige Compositie beschreef ik de periode van 1854 tot 1879 en dan nu de tijd van 1880 tot zijn dood op 28 oktober 1912.

Tinel had vele vrienden, maar het merkwaardigst is waarschijnlijk zijn samenwerking met Guido Gezelle. In zijn bundel "Kleengedichtjes" schreef Gezelle:

Hebt gij Tinel
Edgar Tinel gezien
gezien, gehoord, gesproken ?
en heeft hij U
dat overstoflijk brood
van zang en spel gebroken
op zijn clavier ?
bij felle meesterstreken
schier levend doen
zijn woord, zijn hert, zijn' ziel
en zijn gedacht uitspreken ?
Hebt gij Tinel
Edgar Tinel gezien
gezien en hem verstanden
en zijt gij niet
meer mensch weêr opgestaan,
van onder zijne handen ?
vereert ze dan,
vereert de kunst in hem,
de Godlijke, en buigt neder
voor God, dien al
dat kunst of kunstenaar is
terugbeeldt en geeft weder


Guido Gezelle (17.04.1884)



Gezelle en Tinel waren trouwens hele goede vrienden. Niet alleen was de koppigheid van beide kunstenaars een bindmiddel, maar ook hun diepreligieuze instelling en hun voorkeur voor een goed glas. Uit hun samenwerking zijn de "Zes geestelijke gezangen"(opus 33), Zes Marialiederen (opus 34) en Vier Adventsliederen (opus 35) ontstaan.

In 1881, tevens het jaar dat zijn moeder overlijdt, wordt Tinel benoemd tot directeur van het Lemmensinstituut in Mechelen, een functie die hij blijft uitoefenen tot in 1909. Dat is een van de voornaamste redenen (samen met zijn diepe religiositeit) die hem ertoe gebracht hebben om voortaan vooral religieuze muziek te componeren. We vermelden dan zijn "Sonate voor Orgel"(opus 29), "Drie motetten voor O.L.Vrouw" (opus 31), "Mis voor O.L. Vrouw van Lourdes" (Opus 41), drie Psalmen (opus 27, 39 en 47) en twee Te Deums (opus 26 en 46).
"Le Cle Psalm" opus 47, bij ons beter bekend als "Psalm 150" zal het Princenhage's Mannenkoor op zondag 7 oktober a.s. in de Sacramentskerk van Breda voor het eerst uitvoeren. In zijn religieusmuzikale bewogenheid sluit Tinel aan bij het "Caecilianismus", een katholieke hervormingsbeweging die de kerkelijke muziek wou vernieuwen. In al mijn muzikaal kunnen blijft hij in hart en nieren nog Sinaainaar. Hij zelf schreef: "Mooier dan alle muziek, mooier dan de negende Symfonie van Beethoven zijn de klokken van Sinaai."

Wellicht is Tinel het meest bekend omwille van zijn oratoria "Franciscus" (1888, opus 36), "Godelieve" (1897, opus 43) en "Katharina" (1908, opus 44), de drie grote werken die het Princenhage's Mannenkoor samen met de andere drie gemengde koren en deelnemers aan dit Tinel-project in de komende jaren gaan uitvoeren. Tinel schatte "Katharina" zelf als het hoogste in. Katharina lag hem als personage het nauwst aan het hart. Hij verklaarde daarover op een viering in Sinaai: "Katharina is om te beginnen de patroonheilige van de kerk van Sinaai en Katharine is ook de naam van mijn moeder."

Meest bekend is zijn Franciscus. Tijdens zijn leven werd het meer dan 1000 keren uitgevoerd, in bijna geheel Europa én in de Verenigde Staten van Amerika. Het behoorde tot het vaste repertorium van de meeste grote West-Europese ensembles.

Een dikwijls onderschat deel van zijn creatief werk zijn de 15 bundels liederen voor solist en piano, op tekst van zowel Vlaamse als Duitse en Franse schrijvers. Hier herkennen we duidelijk die Latijnse en Germaanse elementen waarmee Tinel zijn eigen kunnen heeft uitgebouwd. Hier ook valt op hoe Tinel zijn plaats inneemt in de internationale muzikale tendensen van zijn tijd.

Tinel bleef graag naar Sinaai komen. In Sinaai vond hij de rust en de kalmte die hij in de drukke grootstad zo miste. Dan verbleef hij gewoonlijk bij zijn zus Marie, die een bloemisterij had dicht bij het station "Mille Pommes". Als beroemd componist, met die typische artiestenkop met daarop die hoge hoed, was hij een opvallend figuur. Zeker als hij over de Dries naar de mis wandelde. Hij speelde dan zo vol overtuiging orgel, dat de blaasbalgtrapper zich misrekende. Tinel was nog niet klaar met de Gloria en was kwaad zoals Tinel kwaad kon zijn. Waarop de beduusde man antwoordde: "Maar mijnheer, ik weet toch hoeveel wind er in de Gloria gaat!"

De officiële erkenning van zijn kunnen was ondertussen niet achterwege gebleven. In 1889 was hij benoemd tot inspecteur van de Muziekscholen in Vlaanderen. Vanaf 1896 gaf hij les in het conservatorium in Brussel. In 1909 volgt hij op dit conservatorium, Gevaert op als directeur en dat was de hoogste erkenning die hem in België kon te beurt vallen.

En Sinaai zet Tinel in de bloemetjes. Op 20 mei 1909 wordt Tinel met klokkengelui, kanonschoten en geweersalvo's ingehaald. Elk huis is bevlagd, de bomen zijn versierd en meer dan 75 muziekgezelschappen en zangverenigingen komen in Sinaai samen. Hij wordt in dat jaar ook benoemd tot Doctor honoris causa van de Katholieke Universiteit te Leuven en in 1910 Kapelmeester van de Koning.
Maar bij al die huldigingen denkt hij steeds terug aan zijn geboortedorp, en Sinaai denkt aan hem. De gemeenteraad beslist de marmeren buste van Tinel, gebeeldhouwd door Arsene Matton, aan te kopen en te plaatsen in de raadszaal van het gemeentehuis. De buste staat nu, bruin gerookt door de sigaren van de vroede vaderen van het gemeentehuis, in het Tinelmuseum. In de toenemende, bijna wurgende drukte van zijn artiestenleven verlangt hij meer en meer naar Sinaai. Als hij maar kan, komt hij er uitblazen in het huis van zijn zus, bij het station.

Wegens tijdgebrek kan hij niet meer componeren en voelt zich ontworteld; "Da'k maar koster te Sinaai geworden was", zucht hij. In een brief van 1 oktober 1911 vraagt hij aan de Burgemeester toestemming om enkele dennen te mogen planten rond het stukje grond naast de kerk waar hij wou begraven worden. Tinel heeft inderdaad zijn dood voelen aankomen, want op 28 oktober 1912 overlijdt hij in Brussel. Drie dagen later wordt hij op 31 oktober 1912 in Sinaai begraven.

Jan Hagemans, Princenhage's Mannenkoor

 

 

Hilde Ram, dichteres van Godelieve, 1858-1901
door Ineke van Leest


Na het succes van "Fransiscus" dacht Tinel al snel aan een tweede groot muziekwerk. De kritiek had hem "een verkapt opera-schrijver" genoemd, daarom wilde hij meer voor toneel schrijven.
Hij wendde zich voor de tekst tot Hilda Ram, een Antwerpse dichteres. Begonnen als onderwijzeres studeerde zij later moderne talen en Latijn. "Haar frisse idyllische poëzie was door haar eenvoud en gemoedelijkheid ook genietbaar voor de gewone volksmens." (1)
In 1889 kreeg zij voor "Gedichten" de vijfjaarlijkse Staatsprijs voor poëzie.
In 1888 ( 1896?) begon zij aan de opdracht het leven van "Sinte Godelieve" in dichtvorm te bewerken, als libretto voor een zangspel. Het jaar daarop was het al af. "...maar toen wachtte haar een wrevelige ontgoocheling. Tinel was er niet mede tevreden. De dichteres had aan haar werk den vorm gegeven van oratorio, in den aard van Fransiscus en de komponist verlangde iets grootscher, een echt theaterstuk. Het gedicht moest dus heelemaal herwerkt. De misnoegdheid der librettiste werd nog grooter, toen de eerste uitvoering van het muziekdrama te Brussel plaats had in 1897 met den vertaalden Franschen tekst. Onmiddellijk deed zij haar oorspronkelijk Vlaamsche werk te Antwerpen drukken bij J. Boucherij, onder den titel : < Sinte Godelieve, muziekdrama in vier bedrijven en zes tafereelen >. Hetzelfde jaar werd het werk met den oorspronkelijken tekst te Leuven prachtig uitgevoerd, terwijl de dichteres, helaas, den dood afwachtende, op het ziekbed lag uitgestrekt.
De kritiek waaide vinnig rond dit grootsche gewrocht van den genialen komponist: zelfs in katholieke bladen hekelde men streng de levenloosheid van het opstel, dat alleen door de rijkdommen der muziek werd recht gehouden. Hierin heeft de bedilzucht veel overdreven, want zoo Hilda Ram zich beter te huis gevoelde in het fijn en omstandig beschrijven van een burgerfamilie, toch heeft zij in < Godelieve > een trouwe schildering neergepend van de karakters en wist zij op eenvoudige wijze treffende toestanden te verwekken.
Dat < Godelieve > slechts uit- en niet opgevoerd is geworden, heeft meer geschaad aan de dichteres, dan aan den komponist, vermits gansch de handeling van het letterkundig drama verloren ging, zoodat al de eer naar den komponist ging terwijl de dichteres het erg op de kneukels kreeg. Het nageslacht zal er wellicht, anders over oordeelen." (2)

1.  http://users.telenet.be/louis.jacobs/Ram.html
2.  Lodewijk Scheltjens: Beroemde Mannen uit het Waasland, Edgar Tinel, Antwerpen 1926

Ineke van Leest